Een testproject om de zandhonger in de Oosterschelde te remmen en de biodiversiteit van de slikken en platen veilig te stellen.
In de strijd tegen de zandhonger - het verdwijnen van slikken en platen in getijdengeulen - zijn op twee locaties in de Oosterschelde, bij wijze van proef, oesterriffen aangelegd.
Bedoeling is dat de ‘banken’ van oesterschelpen de erosie tegengaan en dat de oesterpopulatie zich op het rif vermenigvuldigt. Oesterlarven zullen zich aan de schelpen hechten en een levend rif zal ontstaan. Doordat het rif de erosie van de getijdenplaten afremt wordt de biodiversiteit op de slikken en platen veiliggesteld. Tegelijkertijd behouden de slikken hun beschermende functie voor de achterliggende dijken.
Het experiment is onderdeel van het innovatieprogramma Building with nature van de stichting Ecoshape. Imares, NIOO, Deltares, Van Oord en Rijkswaterstaat zijn bij het project betrokken. Bij ‘Building with nature’ staat het ecodynamisch ontwerpen op basis van de mogelijkheden die de natuur biedt centraal. Duurzaamheid en ecologie zijn hierbij het uitgangspunt.
De slikken en platen achter de halfdoorlatende Oosterschelde stormvloedkering steken bij eb steeds minder boven water uit. Hun niveau boven NAP daalt voortdurend doordat het zand van de platen en slikken met ongeveer 1 miljoen m3 per jaar in de getijdengeulen verdwijnen, vooral tijdens stormen. Dat is een gevolg van de Deltawerken. Door de bouw van de Oosterscheldekering en de compartimenteringsdammen in de jaren ’80 is de waterbeweging in het Oosterschelde-estuarium sterk verminderd. De opbouwende getijdenkrachten die het sediment kunnen terugbrengen op de slikken en platen zijn sterk gereduceerd. Door de zandhonger verdwijnt elk jaar 50 tot 100 hectare slikken en zandplaten onder water. Als er niets gebeurt zal de Oosterschelde tegen 2075 nog nauwelijks 15% slikken en platen kennen en zal een egale ondiepte resteren.
De bij eb droogvallende delen vormen rustplaatsen voor zeehonden, terwijl tal van wadvogels, zoals de scholekster, er in die tijd hun voedsel zoeken. Zonder ingrijpen zullen deze dieren uit de Oosterschelde verdwijnen. Bovendien houden de droogvallende platen en slikken de golven gedeeltelijk weg van de dijken tijdens een storm. Als deze gebieden zijn verdwenen worden de dijken zwaarder aangevallen en worden forse investeringen in dijkversterking noodzakelijk. De erosie door de zandhonger kan hersteld worden door het verloren zand weer terug te brengen naar de slikken en platen (bijv. door middel van suppleties), maar wellicht kan de erosie ook worden geremd door de oevers te beschermen, het liefst met duurzaam materiaal. De aanleg van oesterriffen (Figuur 1) moet dan ook één van de duurzame oplossingen geven voor het erosieprobleem zodat de natuur wordt behouden, en de veiligheid gewaarborgd. Bedoeling is dat het oesterrif uitgroeit tot een levend rif dat in grote mate zichzelf onderhoudt, en waarmee weinig onderhoudskosten gepaard gaan. Het rif zelf zal ook heel wat andere dieren en planten aantrekken en zo een interessant leefgebied vormen voor wieren, mosselen, krabben, alikruiken, etc.

Figuur 1. Kunstmatig oesterrif als bescherming tegen de erosie van intergetijdengebieden.
De oesterriffen moeten ingezet worden op plaatsen die onderhevig zijn aan erosie en waar nu geen oesters voorkomen. De omstandigheden moeten dus zodanig veranderd worden dat er oesterzaad kan vallen, vestigen en uitgroeien tot een rif. Het idee is dat dit kan worden bereikt als het zaad een stabiele ondergrond, een fundament wordt aangeboden. Het fundament zal vervolgens vanzelf begroeid raken met oesters en zo een levend rif vormen. Na verschillende kleinschalige proeven (oa. kennis opgedaan binnen WINN Biobouwers) blijken schanskorven (± 25-30 cm hoog) gevuld met oesterschelpen het meest geschikte substraat te zijn. In de vroege zomer van 2009 is een eerste kleinschalige proef uitgezet op de slikken van Viane. Twee riffen van 12x4 m werden in juni 2009 gebouwd (Figuur 2). Ter plekke werden de lege schanskorven handmatig gevuld met oesterschelpen (in totaal ongeveer 12 ton schelpen). Deze proef is succesvol te noemen omdat:
(1) de met oesterschelpen gevulde schanskorven een stabiel substraat blijken te zijn;
(2) er vestiging van oesterlarven is opgetreden in de zomer van 2009;
(3) er aanwijzingen zijn dat dergelijke structuren erosie kunnen remmen (er is een duidelijke sedimentatie zichtbaar achter de geplaatste riffen).

Als vervolg op de kleinschalige pilot op de slikken van Viane zijn in de zomer van 2010 op twee locaties langs Schouwen-Duiveland grote riffen aangelegd van 200 m lang en 10 m breed. Op de slikken van Viane zijn twee riffen aangelegd, beide laag in de intergetijdenzone tegen de vaargeul aan. Rif 1 is zo georiënteerd dat het loodrecht op het zuidwesten staat. Rif 2 bevindt zich nabij een steile geulrand, net achter een schelpenrugje. Op de slikken van de Val is één rif aangelegd, dat aansluit op de dijk. De drie riffen zijn onderhevig aan verschillende hydrodynamische omstandigheden (stroomsnelheden, golfexpositie), waardoor de “werking” van het oesterrif onder deze verschillende omstandigheden kan geëvalueerd worden. De omvang van deze riffen laat toe de effectiviteit van dit soort oplossingen als erosieremmende maatregel beter te evalueren.
Er is nog weinig ervaring met het grootschalig aanleggen van kunstmatige oesterriffen. Binnen dit project zijn verschillende methodes uitgetest. Er wordt samengewerkt met een oestervisser (Simon Schot) en Nautilus Eco-civiel die de schanskorven levert en assembleert. Het beste resultaat verkregen we door het plaatsen van lege schanskorfmatrassen op het slik, ze te vullen met opgeviste oesters en oesterschelpen, en ze daarna weer dicht te maken met een deksel. Onderstaande foto’s geven een idee van het proces van de aanleg van het oesterrif. Het uiteindelijke resultaat zijn aaneengesloten oesterriffen van ongeveer 200 m lang en 10 m breed.

oesters grijpen met kraan

oesters harken in schanskorven

schanskorven assembleren

schanskorven vullen met oesters

oesterrif Slikken van Viane
Het aanleggen van de oesterriffen is een pilot met het idee dat als het succesvol is, het opgeschaald kan worden en op verschillende locaties binnen de Oosterschelde toegepast kan worden. De riffen op de laagwaterlijn zullen nauwlettend worden gevolgd om wijzigingen in omvang en vorm, morfologische en ecologische veranderingen te monitoren en te onderscheiden van autonome wijzigingen die zich gedurende het onderzoek in het getijdengebied voltrekken. Hiertoe wordt samengewerkt tussen Imares, Rijkswaterstaat, NIOO-KNAW en Deltares. Een uitgebreid monitoring programma wordt uitgevoerd tot 2012.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met tom.ysebaert@wur.nl van Imares of op telefoonnummer: 0317-487419.